Elma van Haren
Sprokkelen
Ruisende stad in de zomer.
Mensen, verkeer, bloembakken op de stoep,
plantsoenen met zorgvuldig onderhouden bomen.
Het groen, dat een mens niet verliezen moet,
wil hij nog iets snappen van zijn leven.
Op het terras in het park is het niet duidelijk
of de geuren nu van de bloemen komen
of van het parfum der vrouwen.
Het is een dag in augustus met
verlangen naar koelte,
aangewakkerd door de hete wind.
Een vrouw trekt het kanten patroon van bladeren aan,
het flitsende geheim van zon en schaduw over de huid.
Zonneplekjes, waar niemand ooit de vinger op kan leggen.
Zo snel, zo sierlijk, zo beweeglijk.
Zij gaat als camouflage-vorm tussen de bomen staan.
Zij vloeit uiteen in ritselende lichtvlekken.
Haar ademhaling, hartklop, spijsvertering als
bruin, groen en goud.
Zich rekkend van de diepste wortel tot aan de top,
hoort zij het zingen van het houten bloed.
Zij fluistert:
het is me gelukt …
Mooi zo!,
antwoordt de boom houtnervig droog in haar oren,
wil jij boom zijn, dan word ik mens.
Plotseling loopt een lenige gestalte neuriënd onder haar door.
Hij wandelt het park uit de straat op,
stapt in een auto en rijdt luid toeterend weg.
Joke van Leeuwen
Filemon en Baukis revisited
Er zijn nog soort vermomde tempels weer.
Daar liggen boten op het droge.
Daar wordt bedisseld en gegist en
doet men dagelijks aan doorverbinden.
Daar wordt gestreefd met lange armen
en noemt men heel uitzonderlijk
iets wonderlijk. En zonder nemen
zegt men, kan geen geven.
Ook, ergens buiten, duizendjarig al
een dikke linde naast een gulle eik,
niet wetend waar nog onder schors
hun handen zijn gebleven.
Emma Crebolder
De schriftuur van winterbomen
De schriftuur van winterbomen
is als een eerste kindertekening
op mijn scherm terechtgekomen.
Men heeft vergeefs de lijnen geduid
want het naakt van takken
steekt geen hand naar ons uit.
Lukraak zwenkte ik de motorzaag
links rechts door het boorhol
van de specht, door kroon en kraag.
Toen pas zag ik de wollen want
aan de halfgeknotte haken.
Ik ga er kennis mee maken.
terug