nl - en
Lithomania

www.fransbude.nl


Frans Budé Voortijd

 

(schemerplek)

 

Wandeling die niemand zich herinnert,

een leegte in, schemerige bladeren, aarde,

hemeldek. Dan het verklinken van steen

op steen. Daar te staan, het dal een kerf,

woeste geur van heuvels, nu het avond is

een vuur, stommelend in het donker. Hoe

de nacht om strooien huizen heen, slapenden

hun dromen kneden. Opnieuw dezelfde regels,

je ogen neerslaan, sluiers rook, sissende takken

in het vuur als alles oplicht. De hand van wind

brengt geuren mee, een plek die nog bestaat,

het vallen van een blad geluidloos van een tak,

als alles duurt – oneindig wacht.

 

 

 

 

(oertijd)

 

Zoals de eik aan de rand van de wereld

zijn sapstroom beluistert, de ruis erin, kabbelt

het donker om ons heen. Men loopt en wenst –

waagt zich een nevel in. In de lucht gemurmel,

iemand verdwijnt het dal in, volgt een bries

de naakte helling af. Verloren visioenen –

nog steeds of er licht over een spoor valt, steen

uiteenspat, naast een bed van langzaam water

een bos zich zaait, breeduit om ons heen. En er

een ruimte groeit, doorschijnend, in een bocht

van de tijd silhouetten, stippen tegen de horizon –

de zon, meedogenloos, er wachtend achter.

 

(verte)

 

Of er iemand langsschrijdt onder bomen,

die hij terugdwingt het duister in, afsnijdt,

spaart. En ik, in lichterlaaie, mijn stem herkrijg,

hem aanroep, afgesproken plek – dat hij komt,

en ziet het schuiven van de ondergrond, tussen

hem en mij het ochtendlicht. Niet het lopen

op een bosrand aan, zacht te smeulen, maar

wat er oprijst: lijnen naar de verte, de gloed

tegen de herfst aan, wagenwijd erachter

als voor mijn ogen hij in het landschap staat –

het nieuwe licht dat hem bewaart.

(in je hand)

 

Dat ik ook handen kan zien, in het hooggras

scherpe stenen, doorschijnend, zo licht

de punten, een plek met voeten op, wadend

langs de oever waar de kringloop van dag

en nacht, maanlicht verzilverd op het water.

Een lange winter in, in je hand een steen,

warm vanbinnen. En vlees voorhanden,

jouw verdienste, je spits een god gewijd kies je

uit duizend dingen het holst van de nacht,

voet tegen voet, de vrouw van je hart –

en verliest jezelf, verstrengeld in elkaar.

 

 

 

 

 

 

(ondergrond)

 

Zoals de heuvel verdwijnt, de avond zich

plant in de open plekken van het bos,

de rivier haar doden sleurt over barsten

in de aarde – zo’n nacht op het veld, hoofden

naast elkaar bewegend, voeten schuifelend

in de nevel, hand die zoekt: Stil, daar is het beest,

zijn ogen naar de hemel. Kalme roes, dan de harde

steen uit diepe putten, straaltjes bloed. Je denkt

aan thuis, de krullende dauw in de vacht van

het dier. En je lach, ingehaald door het blozen

van je wangen. Waar bleef je steen, in welk

netwerk van ogen gevangen, flitsend voorbij.

(hart)

 

Breek toch, oermensch, het hart uit de steen,

kerf die aan niemand hoort, legende wordt,

jou zichtbaar maakt in drassig schuilgat.

Woedend drijf je voort, kantelt de zware os,

alvorens je omhelst, banjerend door de modder –

en stervend, stervend alleen drink je tranen,

sprokkelt ginds de houtman voor het vuur

dat zich straks voltrekt, omstrengelt hij je vrouw.

En bikt haar los, gretig uit het ochtendlicht.

 

 

(kristal)

 

Zou het zó: een avond buiten, de nacht

al woelend schudt zich leeg, de dood valt af.

Uit kristallijnen de nieuwe dag, hagelt

het licht, haalt lieflijk adem. Zichtbaar

wordt de tijd van anderen, valt samen,

het water in hun handen, ingedampt en

teruggekaatst. Wij van dichtbij, buitenwereld

ginder, andermaal het licht in. Alles echt? Toch

dat griffen in geheugens, bijna vergeefs te

dwalen tussen lagen leem en dan, lichtdun,

het langsschieten van beelden. Hier bleven zij –

op welke morgens daar hun vreugdekreten,

in welke koorts hun droom gezet?

 

 

 

(veld)

 

Langs de kant van het pad, weet je nog,

op blote voeten over de zachte kleireep,

het stervende hert midden in een blazen,

adem boven zijn rug, dood en volop hier.

Handen om te schrapen, onderkant van huid.

Komen geuren toegewaaid, over ons heen,

nu het zich perst onder onze vuisten en krijgt

zijn plaats. Dat dit geen droom is – iemand

in tegenlicht en ver een dier te sterven,

maar hier, langs het bovenal te loven veld,

dat uitzwermt en ons vindt.

 

 

 

(retouche)

 

Niet dat alle tranen nu, niet het hele veld

omkapseld met sterren, lichtjaren ver.

Te leen aan onze voeten het licht – het vloeit

in volle breedte, schaduw tegen plooirand aan.

Om de aarde die ze prijsgeeft wil ik flinters rapen,

met vreemden spreek ik af, deel de spullen

met wie dan ook tienduizend jaar geleden

in geen huis, geen straat, het voorhoofd nat.

En zet een voet in losse aarde. Dezelfde pijn –

de dood een diepe snee, nergens heen

dan in de dalen de golven van de vloed.

(kristallen vuistbijl)

Kristal. Steeds weer het vuur erachter,

vuistbijl in de hand, een man onder een wolk

hemelwit, kloppend het hart, breekt in

in het kristal, breekt door, vanaf de rand

tot aan wat komen gaat, het heelal

in de hand, de wilde sprong van rivieren,

klaterend over een dam, de brand in bergen,

gloeiend vuur, met sneeuw geblust. Kristal

in de hand, duizend klokken. Begraven

in de tijd onszelf terug. Zo kijk ik jou nu aan.

 

 


terug