nl - en
Na de Waarneming,

Na de Waarneming

 

 

Tekeningen van Hans Lemmen

 

 ‘Know that it is not imagination, but experience, which makes poetry.’ [1]

 

In de tekeningen van Hans Lemmen lijkt de voorstelling zonder aarzeling aan het papier te zijn toevertrouwd. Ze is neergezet in trefzekere lijnen in pen en inkt. De heldere lijnvoering suggereert dat ook het beeld zelf helder en duidelijk is. En in zekere zin is dat zo: de voorstellingen zijn overzichtelijk, ze doen zich in één oogopslag aan de beschouwer voor. Maar wie Lemmens tekeningen tracht te beschrijven, merkt dat ze zich maar moeilijk in woorden laten vangen. Hoewel de elementen afzonderlijk eenvoudig te benoemen zijn – man, vrouw, boom, huis – geldt dat voor de constellaties waarin ze zich voordoen niet. Deze kunnen slechts globaal worden aangeduid: een man voegt zich in een (te krappe) nis in een boom. Een naakte, gevlekte vrouw kromt haar hand tot een panterachtige klauw. Een boomstronk met daarop een geheimzinnig gebouw ligt als een eiland te water. De wonderlijke, soms dromerige, soms surrealistische sfeer die deze beelden ademen, is in woorden nauwelijks op te roepen, of het zou in poëzie moeten zijn.

 

Ofschoon elk van de tekeningen op zichzelf staat en in zichzelf besloten lijkt – de beeldcomposities zijn veelal ‘afgerond’, uitsnedes en fragmenten zijn zeldzaam - verwijzen de bladen onderling wel duidelijk naar elkaar. Dat komt vooral doordat een aantal motieven steeds weer opduikt. Het rijtje man-vrouw-boom-huis kan gemakkelijk worden uitgebreid: ook honden, vogels, herten, heuvels, hoogspanningsmasten, tenten, pijlen, zwaarden en stenen komen veelvuldig voor. Naast deze motieven, keren ook bepaalde onderwerpen telkens terug. Dat zijn behalve het tekenen zelf, onder andere het bouwen aan een huis en het op weg / op reis zijn. Daarnaast staat in verscheidene van Lemmens tekeningen de confrontatie (of: de ontmoeting) tussen mens en dier centraal. Beide ‘soorten’ verkeren veelvuldig in elkaars directe nabijheid, soms zelfs zozeer dat er van symbiose sprake lijkt te zijn of dat zij letterlijk in elkaar overgaan: haast als vanzelf veranderen mensen in dieren, en omgekeerd. Ook anderssoortige transformaties doen zich met schijnbare vanzelfsprekendheid voor: zo worden de jaarringen van een boom kringen in het water – wat vast lijkt, wordt vloeibaar, en andersom. Een ander aspect van Lemmens voorstellingen is dat het bloed daarin veelvuldig vloeit – niet zelden verschijnen wezens geamputeerd, wordt er gesneden, gehakt, gestoken, ontleed of gevild. Maar bij al dit geweld is geenszins sprake van al te ver doorgeschoten dramatiek of van pathetisch effectbejag. Zelfs de wreedste voorstelling wordt gerelativeerd: door wonderlijke vertekeningen, door humoristische of juist poëtisch aandoende details.

 

De voorstellingen zoals Lemmen ze in klare lijnen oproept, bezitten een haast archaïsche kwaliteit. Ze zijn als het ware ‘uit de tijd getild’ en lijken zich aan het temporele en het incidentele te onttrekken. De algemene, misschien zelfs universeel menselijke herkenbaarheid van deze beelden wordt nog versterkt door het ‘talige’ karakter van Lemmens tekeningen, waarmee wordt bedoeld dat motieven als vaste schemata worden gehanteerd. Hierdoor ontstaat als het ware een ‘beeldtaal’, waarbij (bijvoorbeeld) een oor altijd als een bepaald type oor verschijnt: het ziet er zó uit, en niet anders. Op vergelijkbare wijze als in (bijvoorbeeld) striptekeningen worden de tekeningen bevolkt door één type honden, één type vrouwen, één type bomen. Wanneer van deze vaststaande beelden wordt afgeweken, verandert niet alleen de verschijningsvorm, maar ook de betekenis van het beeld, alsof er een ander woord wordt gebruikt.

 

De opzet in grote vormen en de ogenschijnlijke eenvoud van de voorstelling verlenen de tekeningen een monumentaal karakter dat verrassend contrasteert met hun feitelijke maat. [2] Want in werkelijkheid betreft het vrij kleine tekeningen, met een proefondervindelijk vastgestelde ‘ideale’ bladmaat van ongeveer 25 bij 33 cm.

 

Hans Lemmen tekent direct met pen en inkt. Potlood en gum gebruikt hij nooit. Hij hanteert een snelle en onherroepelijke wijze van werken, waarbij tijdens het proces van het tekenen weinig kan worden bijgestuurd of gecorrigeerd: het resultaat is goed of niet goed.

 

Voor Lemmen is het belangrijk dat een tekening ook een object is, dat het papier niet alleen als drager van het beeld fungeert, maar zelf een bepaalde materialiteit bezit. Zo goot hij over de vroegste tekeningen wel een scheut water, waardoor het papier vochtig werd en de te tekenen lijnen iets uitvloeiden. Soms stond een beker koffie dichterbij dan water, en de bruinige tint die het koffievocht opleverde, gaf de tekeningen een patina dat Lemmen wel beviel, omdat dit het tijdloze karaker van zijn voorstellingen nog eens onderstreepte. In een latere fase werden hele stapels tekenvellen gedrenkt in een koffie-bad, waarbij door het ontstaan van vlekken en droogranden toch ieder blad een eigen identiteit kreeg. Ook de spontaan optredende, beginnende schimmelvorming werd als een betekenisvolle toevoeging beschouwd. De koffie werd uiteindelijk door een pigment vervangen, omdat Lemmen een optimale duurzaamheid nastreeft. Om die reden experimenteerde hij ook met verschillende papiersoorten. Tegenwoordig brengt hij vóór het tekenen een caseïne-oplossing aan. De caseïne is een transparante buffer waardoor de inkt tijdens het tekenen minder snel in het papier dringt en er langer aan een tekening kan worden doorgewerkt. Desgewenst kan de suggestie van ruimtelijkheid worden gewekt door in tweede instantie in de tekening te wassen.

 

Door de tekeningen van een patina te voorzien, ze ‘oud’ te laten ogen, wordt het archetypische karakter van de beelden zelf nog eens geaccentueerd. Lemmen vertelt in dit verband over het zien van ex-voto’s en negentiende-eeuwse tekeningen tijdens een reis door Mexico. Wat hij daarin waarnam en herkende was “dezelfde stille sfeer waarin personen de vreemdste lotgevallen ondergaan in een toestand tussen lichte verbazing en acceptatie.” [3]

 

Wanneer Lemmen gaat zitten om te tekenen, is dat niet met de ambitie dat de beelden die hij ‘neerschrijft’ door hemzelf bedacht moeten zijn. Hij heeft veeleer het gevoel dat zijn voorstellingen voortkomen uit een reservoir dat in zekere zin bovenpersoonlijk is en van algemeen menselijke emoties en handelingen verhaalt. Om dit reservoir aan te boren, is een mengeling van concentratie en afwezigheid vereist: de concentratie om ‘af te kunnen stemmen’ (als bij een radio) op de golflengte waar deze beelden zich bevinden, de afwezigheid om de beelden de ruimte te geven ook werkelijk naar boven te kunnen komen. Al tekenend is ook de tekenaar zelf in eerste instantie buitenstaander en toeschouwer: hij ziet wat er op het papier verschijnt en kijkt er met verwondering naar. Het wekt geen verbazing dat enkele van Lemmens meest intrigerende tekeningen juist aan het tekenen zelf zijn gewijd.

 

Hans Lemmen beschouwt zichzelf in eerste instantie als een beeldhouwer en hoewel tekenen voor hem essentieel is – hij kan het letterlijk niet laten, het is een soort van tweede natuur geworden – zag hij het tot enkele jaren geleden als iets dat zich in de marge van zijn kunstenaarschap bevond. Juist de vanzelfsprekendheid waarmee het tekenen plaatsvindt, vormde voor Lemmen een belemmering om zijn tekeningen tot het ‘eigenlijke werk’ te rekenen, want “ik dacht steeds: werk is zwoegen en gaat niet vanzelf, de tekeningen wel.” Dat er van buitenaf meer en meer waardering voor zijn tekeningen kwam, maakte dat hijzelf er anders naar ging kijken en er ook meer betekenis aan ging hechten.

 

Voor Lemmen is het tekenen en het beelden maken nauw met elkaar verbonden. Het is zelfs zo, dat beelden veelal uit tekeningen voortkomen: “Een beeld is een tekening waar over is nagedacht. Beelden verschijnen vaak eerst als tekening en verdichten zich dan eventueel veel later pas tot een beeld.” Daar staat tegenover dat ook de tekeningen voor Lemmen een sculpturale kwaliteit bezitten, zoals gezegd ziet hij de bladen als objecten. [4] 

 

Die nauwe relatie neemt niet weg dat het tekenen en het werken aan beelden extreem kan verschillen, in het bijzonder wanneer het beelden voor de openbare ruimte betreft. Het gaat dan vaak om langdurige processen, waarbij er zowel op politiek en sociaal niveau, als in technisch opzicht sprake is van velerlei ‘partijen’ en inmenging van buitenaf. Het werken aan deze projecten staat in groot contrast tot het tekenen, dat bij uitstek een individuele bezigheid is en tot voor kort een in hoge mate privé karakter had.

 

Hoewel Lemmens tekeningen vooral een gedroomde wereld schijnen op te roepen - een wereld die wordt gedomineerd door katachtige vrouwen, wrede honden, ranke herten en gevleugelde mannen – blijkt deze droomwereld bij nader inzien nauw vervlochten met het leven van alledag. Wie kennisneemt van Lemmens onmiddellijke omgeving, vindt hierin veel uit zijn tekeningen terug. Dan zijn details minder ‘fantastisch’ dan ze leken te zijn (zonder dat dit afbreuk doet aan de fascinatie die van de voorstellingen uitgaat). Zo lijken de huizen in Lemmens tekeningen te zijn geënt op de grote Belgische vierkantshoeve die hij met zijn gezin bewoont en waaraan bij voortduring moet worden getimmerd en verbouwd, en herinnert het landschap zoals hij het tekent aan het glooiende land van de Haspengouw, waarin hoogspanningsmasten als buitenaardse seinposten verschijnen en oeroude bomen zonder pardon worden geveld. De wereld van Hans Lemmen is die van de ontelbare individuen wier verlangens, angsten en lotgevallen de menselijke ‘beeldenschat’ deden ontstaan. Hij toont ons een werkelijkheid die pas ‘na de waarneming’ gezien kan worden en die zowel zeer particulier, als voor velen herkenbaar is.

 

Jonieke van Es

 

Noten

 

1 - De Amerikaanse dichter, filmmaker, fotograaf en uitgever Ira Cohen op een CD die hij in 1996 maakte met DJ Cheb I Sabbah (The Majoon Traveler, Sub Rosa).

 

2 - Een enkele keer voerde Hans Lemmen inderdaad een tekening als wandschildering uit.

 

3 - De in dit artikel aangehaalde citaten van de kunstenaar zijn afkomstig uit gesprekken en e-mail-wisselingen tussen Hans Lemmen en de auteur.

 

4 - In de wijze van presentatie van eerdere tekeningen kwam dit ook tot uiting. Deze werden niet getoond als autonome werken, maar in een bepaalde setting: ze werden in plastic geseald en vervolgens ‘samengesmeed’ tot een meterslange rol. In weer een ander werk vormen de in plastic gevatte tekeningen de wanden en het dak van een huisje.

 

 

 

 

 


terug